Nieuwsberichten Duitsland
okt
2009
Woeker van Geld
In het vooroorlogse Amsterdam traden leenvrouwen op als particuliere geldschieters. Hun woekerpraktijken werden aan de kaak gesteld door de schrijver Israël Querido.
Het christendom kende voorheen een woekerverbod. Voor overtreders kon het er slecht uitzien. 'De lijken van woekeraars moeten in greppels worden geworpen, net als die van honden,' schreef een middeleeuwse augustijn. Hoe vaak is deze funeraire aanbeveling opgevolgd? Het valt natuurlijk met geen mogelijkheid te achterhalen. Dat men met de resten van de veertiende-eeuwse bisschop Johannes van Bremen onchristelijk is omgesprongen, is onaannemelijk. Door tot buitengewoon grove woeker te vervallen, solliciteerde de prelaat wél naar een hondse laatste rustplaats. Zijn straf kon er trouwens evengoed ruimschoots mee door. Hij werd doodgeknuppeld door een vrouw.
Aan het bloederig einde van deze Johannes moest ik denken toen ik een lezing hield over de vooroorlogse woekerpraktijken van leenvrouwen in de Amsterdamse Jordaan. Iemand vroeg me of een slachtoffer van woeker zo'n vrouwspersoon nou nooit 'ns uit wraak naar de andere wereld had geholpen. Niets is natuurlijk uitgesloten, antwoordde ik, maar het frapante is juist dat die vrouwen ondanks alles door de direct betrokkenen meer als weldoeners dan als uitzuigers werden beschouwd. De kijk van buitenstaanders op de zaak was zoals altijd anders. Tot die buitenstaanders behoorde de literator Israël Querido (1872-1932). Hij was de bron voor mijn lezing.
Van Querido's hand verscheen in 1931 de bundel Mijn zwerftochten door Jordaan en donker Amsterdam. Hierin komen de hoofdstedelijke wantoestanden in het particuliere kredietwezen uitgebreid aan bod. Had een Jordaanse man of vrouw voor een handeltje geld nodig, dan klopte hij of zij het liefste aan bij een leenvrouw uit de buurt. Die leenvrouw dekte zich op allerlei manieren in. Om te beginnen door van de geleende som onmiddellijk een bedrag af te trekken – bijvoorbeeld van honderd gulden onmiddellijk tien – en dan toch te doen alsof er honderd gulden waren geleend. De lener kreeg dus negentig maar moest honderd gulden terugbetalen, laten we zeggen met vijf gulden per week. Op die honderd gulden werd zo vaak een winst gemaakt van twee- tot driehonderd procent.
Met gebalde vuist wond Querido zich hierover op. Aan zijn toon was te merken dat zijn hart lag bij de vooroorlogse sociaaldemocraten. Woekerende geldschieters, gedreven door de laagste winzucht, die hun eigen klassegenoten jammerlijk uitmergelen!
Leenvrouwen waren ook in de volksbuurten van andere grote steden actief. Het sociale wee van hun woekerwinsten inspireerde weldenkende burgers tot de oprichting van een vereniging die nog steeds bestaat, al heet zij anders dan destijds: de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet. Dit gezelschap betreedt het strijdperk als moderne kredietverstrekkers woekerpercentages opstrijken. Want ze zijn moeilijk uit te bannen, de rentekampioenen die een bijbels gebod aan hun laars lappen: 'Gij zult aan uwen broeder niet woekeren met woeker van geld.'
terug

